Iets over de toegang tot het recht

In het Dagblad van het Noorden van 10 mei stond een stuk over de strijd van jurist Kors van Bladeren tegen de bouw van de Kattenbrug over de Diepenring in Groningen. Daarin troffen mij twee observaties van Van Bladeren die ik herkende uit mijn eigen praktijk.

Partijdig bestuur en coulante rechter

Ten eerste de indruk dat de gemeente Groningen het niet altijd nauw neemt met de toepassing van de eigen planologische regels en voorschriften als die aan projecten in de weg staan. Ten tweede de waarneming dan niet alle bestuursrechters voldoende kennis hebben van het omgevingsrecht en de neiging vertonen in geschillen tussen burger en overheid het betreffende overheidsorgaan de hand boven het hoofd te houden. In een apart katern bij het stuk staan nog enige andere voorbeelden waarin de gemeente in opspraak is geraakt over de toepassing van de bouwregels.

Onevenwichtige belangenafweging

Helaas moet ik bekennen dat ik zelf als advocaat van bezwaar makende burgers tegen door de overheid (soms aan zichzelf) verleende bouwvergunningen regelmatig tegen deze situatie ben aangelopen. In een aantal zaken is het mij opgevallen dat de gemeente zijn dossier niet altijd op orde heeft en er niet zelden nogal bijzondere interpretaties op na houdt over de uitleg van ruimtelijke voorschriften. Daarbij valt mij vervolgens op dat de bestuursrechter bij gelegenheid zeer coulant is voor de gemeente om formele verzuimen goed te maken en niet altijd kritisch is op vage argumentaties waarom in een bepaald geval de gekozen uitleg van de eigen regels te verdedigen is. Meestal gaat het dan om een in de ogen van de gemeente groot belang, waarvoor de belangen van bezwaarmakers dan maar moeten wijken.

Vertrouwen in overheid en rechtspraak

Het lijkt mij niet bevorderlijk voor het vertrouwen van burgers in de overheid als zij in een procedure op deze wijze bakzeil moeten halen. De rechtsstaat geldt ook op lokaal niveau en dat betekent dat burgers er van uit mogen gaan dat de gemeente de eigen regels objectief en correct uitlegt en toepast en dat de rechter de belangen van bezwaarmakers even zorgvuldig weegt als die van de gemeente.

Toegang tot het recht

Ook lijkt het mij zorgelijk als de veronderstelling van Van Bladeren, dat burgers in het licht van een cultuur waarin politiek-bestuurlijke belangen hoger worden aangeslagen dan het belang van een zorgvuldige rechtsbescherming, minder snel geneigd zijn geld en energie te steken in een zaak tegen de overheid. Als burgers zich op voorhand machteloos voelen en om die reden afzien van de mogelijkheid hun recht te zoeken is dat een wel heel bijzondere belemmering voor de toegang tot het recht. En was niet een van de lessen uit de Kindertoeslagenaffaire niet dat de toegang tot het recht substantiële verbetering behoeft?

Overigens: gisteren (11 mei) haalde de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State een streep door de uitspraak van de rechtbank. Dat dan weer wel.

Meer weten? Bel mij gerust op 050-3115544.

Welmoed de Boer.

Kun je een levenstestament nietig laten verklaren bij misbruik?

Met een levenstestament geef je een volmacht aan iemand die je vertrouwt om jouw zaken te regelen op het moment dat jij dat niet (meer) kan. Maar wat als je denkt dat iemand de volmacht van je moeder misbruikt? Kan je het levenstestament dan nietig laten verklaren?

De zaak bij de rechtbank Noord-Holland

Moeder had drie kinderen, twee dochters en een zoon. De zoon was in het levenstestament van moeder aangewezen als gevolmachtigde voor financiële zaken. Een van de dochters stelde dat hun dementerende moeder niet begreep waar het levenstestament over ging toen dat werd getekend. Daarom was het levenstestament volgens de dochter niet geldig. Daarnaast zei de dochter dat de zoon (haar broer) eigenlijk aasde op de woning van moeder en dat hij niet eerlijk handelde. Stel je voor dat hij de woning voor een prikkie zou overnemen! De dochter verzocht de rechter een onafhankelijke bewindvoerder aan te wijzen in plaats van haar broer.

Verzoek bewind niet bedoeld voor de vraag of het levenstestament nietig is

De rechter oordeelde allereerst dat het verzoek voor een bewind niet is bedoeld om een antwoord te krijgen op de vraag of het levenstestament geldig is. De notaris had geen reden gezien om het levenstestament niet te laten tekenen. Belangrijk daarbij was dat alle kinderen op de hoogte waren van de inhoud van het levenstestament toen dat werd opgesteld. De dochter had toen geen bedenkingen. Dat er nu discussie was ontstaan, was haar eigen schuld.

De rechter bezocht vervolgens moeder thuis. Moeder wist dat ze haar zaken had geregeld, en zij gaf aan dat haar zoon de financiën moest regelen. Omdat moeder een levenstestament had gemaakt was er volgens de rechter dan ook geen reden om een (onafhankelijke) bewindvoerder te benoemen: moeder had namelijk zelf in een regeling voorzien.

De rechter kwam tot het oordeel dat het niet nodig was een onafhankelijk bewindvoerder aan te wijzen. De zoon had de financiële belangen van zijn moeder goed behartigd. Ook was geen sprake van belangenverstrengeling, omdat de zoon kon aangeven dat hij een andere woning had gekocht. Het verzoek om een onafhankelijke bewindvoerder werd afgewezen.

De zaak bij de rechtbank Midden-Nederland

Moeder had zes kinderen, vader was al overleden. Moeder had een levenstestament gemaakt en haar in Australië wonende zoon volmacht gegeven om haar zaken te regelen. Deze zoon had een bedrag van € 27.670 overgeboekt van de rekening van zijn moeder naar zijn eigen rekening met de omschrijving ‘svp investeren’. Verder had de zoon een bedrag van € 9.973 van de rekening van moeder naar hemzelf overgeboekt, en hij had een bedrag van € 9.000 weer teruggestort. Het bedrag van € 9.000 zou een terugbetaling van een lening aan moeder zijn, maar daarmee was een bedrag van € 9.973 weer verrekend, aldus de zoon. Moeder zou namelijk de kosten van vliegtickets vergoeden aan de zoon. De rechter vond de gang van zaken onbegrijpelijk. De zoon maakte niet op juiste wijze gebruik van de volmacht van moeder.

De rechter vond het nodig om een bewind in te stellen. De rechter keek eerst in het levenstestament. Echter, daarin was dezelfde zoon door moeder aangewezen bewindvoerder. De rechter was van mening, dat de zoon daarvoor niet geschikt was gebleken. De rechter kon de wens van moeder niet volgen. Eén van de andere kinderen wilde wel bewindvoerder worden. Dat vond de rechter geen goed idee, vanwege ruzies in de familie. Een onafhankelijke bewindvoerder werd benoemd, en daarmee kwam er een eind aan de volmacht aan de zoon in Australië.

En wat is nu de conclusie?

Wil je van een levenstestament af, dan heeft het inroepen van de ongeldigheid niet veel zin. Het is dan verstandiger om een verzoek tot bewind in te dienen bij de rechter. Je zult dan moeten aantonen dat de gevolmachtigde zijn of haar werk niet goed doet. Denk dan aan situaties waarbij de volmachtgever geen openheid van zaken wil geven over het geld, er sprake is van financieel wanbeheer of wanneer de belangen van de gevolmachtigde in strijd zijn met die van de volmachtgever.

Als de rechter ook vindt dat de gevolmachtigde zijn of haar werk niet goed doet, dan kan de rechter afwijken van de wensen in het levenstestament en een bewind uitspreken. De gevolmachtigde kan dan niet meer optreden voor de volmachtgever: dat is dan de bewindvoerder. Of het levenstestament nietig is, doet er dan niet meer toe.

Meer weten over het geven van een volmacht? Kijk voor algemene uitleg over het levenstestament eens op deze site.

Vragen? Neem gerust contact met mij op.

Groet,

Ina Elzinga-Snoek, advocaat van Kaliber.

050-3115544

RECHTSBESCHERMING ‘TEGEN’ DE OVERHEID?

Een opmerkelijk interview in Trouw van 9 januari met de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Bart Jan van Ettekoven, vindt advocaat van Kaliber, Welmoed de Boer

Raad van State reageert op heftig oordeel.

Het verwijt van de parlementaire ondervragingscommissie toeslagenaffaire richting de rechtspraak was snoeihard: “De bestuursrechtspraak heeft zijn belangrijke functie van (rechts)bescherming van individuele burgers veronachtzaamd”. Op de vraag of de Belastingdienst wellicht te vaak het voordeel van de twijfel kreeg, maakt de voorzitter van de hoogste bestuursrechter een in mijn ogen interessante opmerking: “Zo werkt het bestuursrecht in algemene zin. Dat gaat ervan uit dat overheidsinstanties rechtmatig te werk gaan en de wet uitvoeren”.

Willekeur?

Ik vraag mij af of die veronderstelling niet te rooskleurig is. In mijn praktijk stuit ik regelmatig op situaties waarin overheidsorganen hun eigen doelen zwaar laten wegen in het nemen van besluiten op bezwaar van burgers. Die opstelling bepaalt dan mede de soms willekeurige uitleg van de toepasselijke rechtsregels. Gaat het om eigen projecten of belangen dan is bijvoorbeeld afwijking van het bestemmingsplan wel mogelijk. Daar waar dat bij andere aanvragen niet werd toegestaan, wordt het aantal parkeerplaatsen in een bouwproject naar beneden bijgesteld, of mag toch studentenhuisvesting plaatsvinden in een straat dat reeds haar maximum heeft bereikt.

Juridische zuiverheid gewenst!

In gerechtelijke procedures merk ik dat de bestuursrechter het soms moeilijk vindt een vraagteken te zetten achter een juridische kronkelredenering van de overheid die zijn zin wil doorzetten. Niet zelden krijgt de overheid dan inderdaad het voordeel van de twijfel. Ik begrijp dat de rechter niet op de stoel van het bestuur kan gaan zitten door het beleid op doelmatigheid te toetsen. Voor echte rechtsbescherming van de burger zou het goed zijn als overheidsorganen zich in sommige gevallen meer rekenschap geven van het belang van juridische zuiverheid, ook al komt dat niet altijd uit. De overheid moet niet te gemakkelijk over de rechten van burgers heen walsen.  Laten we zuinig zijn op onze rechtstaat.

Welmoed de Boer, advocaat van Kaliber, specialist Bestuursrecht & Omgevingsrecht.

De gevolgen van de coronacrisis voor de huurovereenkomst tussen professionele partijen

Een artikel van Sandra de Rooy, werkzaam als stagiaire bij Kaliber Advocaten te Groningen.

Het huurcontract is het uitgangspunt bij het beoordelen van de mogelijkheid bij een dalende omzet of verplichte sluiting van de onderneming huurprijsvermindering te bedingen. Als in de overeenkomst geen omzet-gerelateerde huurprijs is afgesproken kan het toch mogelijk zijn een huurprijsverlaging af te dwingen of de betalingsplicht op te schorten. De meest kansrijke juridische leerstukken om huurprijsverlaging dan wel opschorting van de betalingsplicht te vorderen zijn een gebrek (art. 7:204 jo. 207 BW) en onvoorziene omstandigheid (art. 6:258 BW). Een beroep op overmacht is over het algemeen minder kansrijk en wordt daarom niet verder behandeld.[1]

Vorm van overheidsmaatregelen

De coronamaatregelen hebben niet voor alle ondernemingen dezelfde gevolgen gehad. Sommige ondernemingen moesten tijdens de coronacrisis tijdelijk verplicht de deuren sluiten. Anderen hadden vooral last van een dalende omzet vanwege de overheidsmaatregelen die invloed hadden op de markt. Zij hoefden zelf niet verplicht dicht, maar zagen de omzet sterk verminderen of volledig verdampen. De manier waarop de maatregelen invloed hebben gehad op de onderneming kan van belang zijn voor de mogelijkheden tot huurprijsverlaging of opschorting van de betalingsplicht. Het is daarom goed een onderscheid te maken tussen ondernemingen waarbij het (tijdelijk) absoluut niet mogelijk wat de onderneming te exploiteren en ondernemingen waarbij de omzet sterk was gedaald.

De hoofdregel

De hoofregel in het contractenrecht is dat partijen erop moeten kunnen vertrouwen dat gemaakte afspraken worden nagekomen; pacta sunt servanda. Als partijen in vrijheid een overeenkomst hebben gesloten, mag een partij zijn wederpartij in beginsel tot nakoming daarvan dwingen, al is dat voor hem inmiddels bezwaarlijker geworden dan ten tijde van de contractsluiting. De grondslag voor het recht op nakoming is art. 3:296 lid 1 BW. Hierin wordt een rechter verplicht een nakomingsvordering te honoreren, tenzij uit de wet, de aard van der verplichting of uit een rechtshandeling anders volgt. Een nakomingsvordering zal daarom – vooral bij business-to-business overeenkomsten[2] – niet snel terzijde worden geschoven.[3]

Om te beoordelen of het mogelijk is de betalingsplicht op te schorten of de huurprijs (tijdelijk) te verminderen, moet de huurovereenkomst tot uitgangspunt worden genomen. Ook later gemaakte afspraken en gedragingen zijn van belang. Bij veel professionele huurovereenkomsten zijn  de modelovereenkomsten en algemene bepalingen van de Raad voor onroerende zaken (hierna: ROZ-contract) van toepassing. Hier wordt later nog specifiek op ingegaan.

Gebrek (art. 7:204 jo. 207 BW)

Een gebrek is volgens art. 7:204 lid 2 BW een staat of eigenschap van de zaak of een andere niet aan de huurder toe te rekenen omstandigheid, waardoor de zaak aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat een huurder bij het aangaan van de overeenkomst mocht verwachten.[4] Hierbij moet bedacht worden dat de wetgever uitdrukkelijk heeft bedoeld het leerstuk ‘gebrek’ ruim te laten gelden. In de Parlementaire Geschiedenis is opgemerkt dat hiervan ook sprake is indien een (onvoorziene) overheidsmaatregel het gebruik van de zaak verhindert.[5] Recent heeft de kantonrechter – in een voorlopige voorziening – geoordeeld dat hiervan sprake was in een zaak waarbij het business model van de onderneming in belangrijke mate was gebaseerd op het gebruik van evenementzalen. De onderneming hoefde met de coronamaatregelen niet verplicht te sluiten, maar de omzet was wel gereduceerd tot nagenoeg nul. De kantonrechter oordeelde dat er sprake was van een gebrek.[6] Ook andere corona gerelateerde voorlopige voorzieningen sluiten aan bij deze zienswijze.[7][8] Bij al deze zaken hebben de overheidsmaatregelen er voor gezorgd dat het gehuurde (zo goed als) niet kon worden gebruikt. Voor de beoordeling of sprake is van een gebrek moet worden gekeken naar de omstandigheden van het geval, maar gelet op het voorgaande is het goed mogelijk dat het de coronamaatregelen in beginsel als gebrek kwalificeren. Hier valt nog wel een nuance op aan te brengen. De klassieke situatie van ‘crediteursverzuim’ die ontstaat wanneer de huurder door een specifiek hem treffende overheidsmaatregel niet in staat is om van het aangeboden huurgenot gebruik te maken, wordt gezien als een aan de huurder toe te rekenen omstandigheid.[9][10] Dit staat een beroep op het leerstuk gebrek in de weg. De overheidsmaatregelen treffen echter alle ondernemingen van een bepaalde soort. Het is daarom goed mogelijk dat de coronamaatregelen niet worden gezien als ‘specifiek hem treffende overheidsmaatregelen’.

Bij huurovereenkomsten die geen betrekking hebben op woonruimte staat het partijen echter vrij om het begrip ‘gebrek’ te herdefiniëren. Men kan dus rechtsgeldig overeenkomen dat bijvoorbeeld onvoorziene overheidsmaatregelen niet kwalificeren als een gebrek in de zin van art. 7:204 BW.[11] Ook is art. 7:207 BW van regelend recht, waardoor het recht op huurprijsvermindering kan worden weg gecontracteerd – zelfs als komt vast te staan dat er wél sprake is van een gebrek. Om te bepalen of er sprake is van een gebrek en of hieruit een recht op huurprijsvermindering voortvloeit hangt dus af van de specifieke huurovereenkomst en de voorwaarden die hierbij zijn opgenomen. Bij veel professionele huurovereenkomsten zijn ROZ-contract van toepassing. Bij de  standaard ROZ-contracten worden noch de overheidsmaatregelen noch de gevolgen daarvan expliciet toegerekend aan de huurder. In de standaard ROZ-contracten kunnen overheidsmaatregelen, zoals tijdens de coronacrisis, dus nog wel kwalificeren als gebrek. Wel wordt het recht op huurprijsvermindering vrijwel standaard – voor zoveel als mogelijk – uitgesloten.[12] Dit betekent dat zelfs als de gevolgen van de coronacrisis kwalificeren als gebrek, dit op grond van art. 7:204 jo. 207 BW niet altijd recht geeft op huurprijsvermindering. Mocht een beroep op het leerstuk gebrek falen, dan staat dit een beroep op onvoorziene omstandigheden echter niet in de weg. Dit leerstuk kan namelijk niet worden weg gecontracteerd.

Gevolgen geslaagd beroep op gebrek

Als sprake is van een gebrek en de huurder ondervindt een wezenlijke vermindering van huurgenot heeft de huurder recht op een evenredige vermindering van de huurprijs (art. 7:207 BW). Om deze evenredige vermindering te bepalen moet daarom worden gekeken naar de omvang van het overgebleven huurgenot. Als de deuren van de onderneming niet verplicht moesten sluiten is dit ook erg afhankelijk van de omstandigheden van het geval.[13] Hoe deze afweging wordt gemaakt is nog lastig vast te stellen omdat er weinig bodemprocedures zijn gevoerd over dit geschil. In veel huurcontracten wordt immers gebruik gemaakt van een standaard  ROZ-contract, waardoor het recht op huurprijsvermindering op grond van het leerstuk gebrek wordt uitgesloten. Uit de voorlopige voorzieningen komt wel naar voren dat er rekening moet worden gehouden met de mate waarin huurder wel gebruik heeft gemaakt van de onderneming.[14]

Bij een geslaagd beroep op het leerstuk gebrek geeft de huurder echter geen recht op schadevergoeding van de verhuurder, omdat de coronacrisis niet aan de verhuurder kan worden toegerekend.[15]

Onvoorziene omstandigheden (art. 6:258 BW)

Een beroep op art. 6:258 BW maakt het mogelijk dat een rechter de huurovereenkomst wijzigt wegens onvoorziene omstandigheden op grond waarvan onverkorte nakoming onmogelijk of uiterst bezwaarlijk is geworden. De bepaling vormt een lex specialis van art. 6:248 lid 2 BW en de rechter moet daarom dezelfde terughoudendheid betrachten als voor de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.[16] Een omstandigheid geldt als onvoorzien als (1) partijen het niet in hun overeenkomst hebben verdisconteerd. Of de omstandigheid daadwerkelijk was te voorzien is niet beslissend. Het gaat erom of partijen in de mogelijkheid van het optreden van de onvoorziene omstandigheden hebben willen voorzien of stilzwijgend die mogelijkheid hebben verdisconteerd.[17] (2) Daarnaast is het van belang dat de wederpartij geen ongewijzigde instandhouding mag verwachten. Deze drempel is hoog: het contractenrecht gaat er van uit dat gemaakte afspraken worden nagekomen. Een rechter moet bij een beroep op onvoorziene omstandigheden dus terughoudend optreden.[18] (3) Tenslotte moet de omstandigheid niet voor rekening komen van degene die zich hierop beroept. Het is lastig voorstelbaar dat partijen een epidemie van deze omvang hebben voorzien en in de overeenkomst hebben verdisconteerd. Daarmee wordt in de meeste gevallen aan de eerste voorwaarde voldaan. Het knelpunt zal hem vaak in het tweede of derde criterium zitten. Namelijk of de huurder een ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst mag verwachten en of coronacrisis voor rekening van de huurder behoort te komen.

Wat betreft het tweede criterium is de drempel hoog. in een bodemprocedure oordeelde de Rechtbank Rotterdam op 7 augustus jl. dat omzetverlies een omstandigheid is die in beginsel wel tot het ondernemersrisico van huurder behoort en dat dat onvoldoende was gemotiveerd dat de verhuurder geen ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst mocht verwachten. Hierbij is relevant dat er geen overheidsmaatregel bestond die het gebruik van het gehuurde als zodanig belemmerde. Het gehuurde werd niet gebruikt omdat de eigen omzet en de omzet van de beoogd onderhuurder sterk waren teruggelopen. De huurder had beter moeten onderbouwen waarom zij het risico (deels) op de verhuurder wenst af te wentelen en waarom geen ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst mag worden verwacht. Ook is relevant dat het om professionele partijen gaat die een niet-omzet gerelateerde huurprijs zijn overeengekomen.[19] In een kort geding van 19 juni jl. was een beroep op onvoorziene omstandigheden ook niet succesvol. Dit had er ook mee te maken dat onvoldoende was gemotiveerd dat de omzet aanzienlijk was gedaald en geen inzicht was gegeven in de mogelijke kostendalingen.[20] In eerdere kort geding zaken werd juist geoordeeld dat de coronacrisis wél een onvoorziene omstandigheid is waarbij het waarschijnlijk is dat de verhuurder naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen ongewijzigde instandhouding van de huurovereenkomst mag verwachten.[21][22][23]

Dan het derde criterium; of de coronacrisis voor rekening moet komen van de huurder. Tijdens de economische crisis van 2008 werd over het algemeen aangenomen dat de economische crisis tot het ondernemersrisico behoort.[24] Er wordt in de literatuur en jurisprudentie verschillend gedacht over of de coronacrisis tot het ondernemingsrisico behoort van de huurder. Argumenten ten voordele van de huurder zijn dat de huidige crisis van een dergelijke aard en omvang is dat deze in het licht van de aard van de overeenkomst of de verkeersopvattingen niet voor rekening moet komen van de huurder van de bedrijfsruimte. In een kort geding procedure werd daarom geoordeeld dat de beperkingen die verband houden met de coronacrisis niet (volledig) voor rekening van de huurder dienen te komen.[25] Ook wordt aangevoerd dat de coronacrisis, anders dan bij de economische crisis uit 2008, niet het gevolg is van een schommeling van de economie.[26] De huidige financiële problemen zijn juist het gevolg van overheidsoptreden dat bedoeld is om het publieke belang te dienen.

Per concreet geval zal moeten worden bekeken of door de onvoorziene omstandigheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst te bezwaarlijk is geworden. Deze toets is erg casuïstisch en zal telkens afhangen van alle omstandigheden van het geval.[27] Zoals de aard en ernst van betrokken belangen, de mate van schuld, de maatschappelijke positie en de onderlinge verhouding van partijen en de verkeersopvattingen.[28] Uit de jurisprudentie blijkt dat de omzetdaling in ieder geval goed moet worden gemotiveerd en inzicht moet worden gegeven in eventuele kostendalingen. Ook kan het uitmaken of de onderneming verplicht is gesloten.

Gevolgen geslaagd beroep onvoorziene omstandigheden

Als vast komt te staan dat sprake is van een onvoorziene omstandigheid kan de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat partijen de rechtsplicht hebben om te heronderhandelen.[29] Ook als niet aan alle voorwaarden van het leerstuk onvoorziene omstandigheid is voldaan, kan deze plicht bestaan. In de regel zal een onderhandelingsplicht pas bestaan als de coronacrisis bijzonder zwaar op een partij drukt. Beide partijen dienen bij de onderhandelingen rekening te houden met elkaars belangen. Als een huurder een redelijk aanbod van de verhuurder weigert kan dit dus gevolgen hebben voor oordeel van de rechter.[30]

De rechter heeft veel vrijheid bij het wijzigen van het contract en het (tijdelijk) verlagen van de huur of het opschorten van de betalingsplicht. Daarnaast kan aan een wijziging of ontbinding terugwerkende kracht worden verleend.[31] Het uitgangspunt is dat het contractuele evenwicht moet worden hersteld met inachtneming van de gewijzigde omstandigheden. De rechter dient hierbij aan te sluiten bij wat partijen aanvankelijk hebben bedoeld bij het sluiten van de overeenkomst.[32] Daarnaast mag een slechte financiële van voor de coronacrisis niet afgewimpeld worden op de verhuurder.

In de literatuur wordt een 50/50 verdeling als uitgangspunt gesuggereerd. Nuances zijn dat het door partijen overeengekomen risicoverdeling wel gehandhaafd moet worden en dat ook eventuele voordelen betrokken worden als gevolg van eventuele compenserende overheidsmaatregelen.[33] In hoeverre persoonlijke omstandigheden en reserves een rol spelen in deze verdeling komt niet duidelijk naar voren. Wel is bij de enkele kort geding procedures een geschilpunt in hoeverre verhuurder in zijn levensonderhoud afhankelijk is van de huurinkomsten en wat de maatschappelijke positie is van beide partijen.[34][35] In een voorlopige voorziening werd een verzoek tot huuropschorting daarnaast niet toegewezen omdat ‘gedaagde naar het oordeel van de kantonrechter vooralsnog onvoldoende informatie over zijn financiële situatie heeft verstrekt waaruit blijkt dat hij onvoldoende reserves heeft om dat deel van de huurprijs op tijd te betalen. Gelet daarop is thans onvoldoende aannemelijk dat de bodemrechter dit zal toewijzen’.[36] Bij de verdeling van het nadeel lijken alle omstandigheden van het geval een rol te spelen.


[1] Rb. Den Haag  19 juni 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:5661 (r.o. 4.11-4.13).

[2] HR 15 oktober 2004, NJ 2005/141 (GTI/Zürich).

[3] H. Schelhaas & J. Spanjaard, ‘Contract en coronacrisis’, NJB 2020/881 (p. 958).

[4] J.A. Tuinman & T.Q de Booys, ‘De coronapandemie en huur van bedrijfsruimte: don’t believe the hype’, WR 2020/48 (p. 198).

[5] Kamerstukken II 1999/2000, 26089, nr. 6, p. 9.

[6] Rb. Den Haag 19 juni 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:5661 (r.o. 4.7, 4.14).

[7] Rb. Rotterdam 18 juni 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:5583 (r.o. 5.4).

[8] Rb. Gelderland 29 mei 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:2768 (r.o. 4.2).

[9] J.M. van Noort, ‘De gevolgen van de corona-crisis voor commerciële huurovereenkomsten’, Bb 2020/36 (p. 177).

[10] Asser/Rossel & Heisterkamp 7-II 2017/33

[11] J.M. van Noort, ‘De gevolgen van de corona-crisis voor commerciële huurovereenkomsten’, Bb 2020/36 (p. 177).

[12] J.A. Tuinman & T.Q de Booys, ‘De coronapandemie en huur van bedrijfsruimte: don’t believe the hype’, WR 2020/48 (p. 202).

[13] J.A. Tuinman & T.Q de Booys, ‘De coronapandemie en huur van bedrijfsruimte: don’t believe the hype’, WR 2020/48 (p. 201).

[14] Rb. Limburg, 19 juni 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:4399 (r.o. 4.2).

[15] J.A. Tuinman & T.Q de Booys, ‘De coronapandemie en huur van bedrijfsruimte: don’t believe the hype’, WR 2020/48 (p. 201).

[16] W.L. Valk, T&C BW, commentaar op art. 6:258 BW, aant. 2a.

[17] TM, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 968; MvA II, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 973.

[18] W.L. Valk, T&C BW, commentaar op art. 6:258 BW, aant. 2b.

[19] Rb. Rotterdam 7 augustus 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:7089 (r.o. 4.3).

[20] Rb. Den Haag 19 juni 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:5661 (r.o. 4.15-4.17).

[21] Rb. Amsterdam, 11 juni 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2914 (r.o. 3.5-3.7).

[22] Rb. Amsterdam 29 juli 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:3730 (r.o. 11-12).

[23] Rb. Noord-Nederland, 21 juli 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:2540 (r.o. 4.4-4.7).

[24] J.M. van Noort, ‘De gevolgen van de corona-crisis voor commerciële huurovereenkomsten’, Bb 2020/36 (p. 176).

[25] Rb. Amsterdam 11 juni 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2914 (r.o. 3.5).

[26] J.M. van Noort, ‘De gevolgen van de corona-crisis voor commerciële huurovereenkomsten’, Bb 2020/36 (p. 176).

[27] Rb. Noord-Nederland, 21 juli 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:2540 (r.o. 4.4).

[28] J.A. Tuinman & T.Q de Booys, ‘De coronapandemie en huur van bedrijfsruimte: don’t believe the hype’, WR 2020/48 (p. 203).

[29] J.M. van Noort, ‘De gevolgen van de corona-crisis voor commerciële huurovereenkomsten’, Bb 2020/36 (p. 176).

[30] J.A. Tuinman & T.Q de Booys, ‘De coronapandemie en huur van bedrijfsruimte: don’t believe the hype’, WR 2020/48 (p. 204).

[31] Art. 6:258 lid 1 BW.

[32] R. Tjittes, ‘Commerciële contracten en corona: uitgangspunt 50/50 verdeling nadeel’, 17 maart 2020.

[33] R. Tjittes, ‘Commerciële contracten en corona: uitgangspunt 50/50 verdeling nadeel’, 17 maart 2020.

[34] Rb. Amsterdam, 11 juni 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2914 (r.o. 3.9-3.11).

[35] Rb. Noord-Nederland, 21 juli 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:2540 (r.o. 4.6).

[36] Rb. Amsterdam, 11 juni 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2914 (r.o. 3.11).

Mag mijn werkgever vrijuit graven in mijn e-mails?

Een werkgever zegt: jouw e-mail inbox is niet van jou, maar van mij! Is dat zo?

In een zeer recente uitspraak van een kantonrechter was de vraag aan de orde of werkgever bevoegd is om in de e-mails van werknemer te neuzen.

De rechter constateert dat werkgever de inbox van werknemer:

– heeft onderzocht zonder concrete verdenking

– zonder vooraankondiging of toestemming

– en het onderzoek heeft opgedragen aan een collega van werknemer

– die in feite alle e-mails van werknemer heeft onderzocht en niet op een specifiek onderwerp heeft gezocht.

Onnodige verstoring?

De kantonrechter wijst er op dat deze inbreuk op de privacy in strijd is met artikel 8 Europees Verdrag van de Rechten van de Mens. Bovendien heeft werkgever hiermee de vertrouwensrelatie met werknemer onnodig verstoord. De kantonrechter wijst er op dat een extern bureau had moeten worden ingeschakeld in plaats van een collega van de werknemer. Ook dat zorgt voor een onnodige verstoring van de werkrelatie binnen het bedrijf.

Omdat werkgever ook op andere vlakken allerlei verwijten kunnen worden gemaakt (zoals ongefundeerde beschuldigingen aan werknemer, zonder vooraankondiging een advocaat laten deelnemen aan een gesprek, onterechte op non-actiefstelling, etc.) wordt werkgever veroordeeld tot het betalen van een billijke vergoeding van € 60.000,00. Dit bedrag komt tot stand door berekening van het jaarsalaris minus een WW uitkering gedurende een jaar. De verwachting is namelijk dat werknemer minimaal een jaar moet zoeken naar werk aleer hij dat weer vindt.

Heeft u wel eens gehoord van hoor en wederhoor?

Wat juist deze uitspraak zo interessant maakt, is dat de advocaat van werknemer náást de hiervoor vermelde billijke vergoeding een schadevergoeding vraagt vanwege de privacy schending. De kantonrechter stelt vast dat een inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in beginsel onrechtmatig is, tenzij er sprake is van een rechtvaardigingsgrond. Werkgever had geen gegronde reden om e-mails zonder toestemming van de werknemer te onderzoeken. Deze rechtvaardigingsgrond is daarom ook niet aanwezig. De kantonrechter vindt toewijzing van een schadevergoeding van € 10.000 voor de grove privacy schending billijk. Niet in de laatste plaats omdat werkgever aan de hand van die e-mail berichten werknemer ten onrechte heeft beschuldigd van fraude, racisme en een liefdesrelatie op de werkvloer. De kantonrechter vindt ook van belang dat werkgever niet de gelegenheid van hoor en wederhoor gegeven heeft aan werknemer.

Een aparte berekening.

De kantonrechter maakt dus naast de berekening van de transitievergoeding, naast een billijke vergoeding, tevens een afzonderlijke calculatie voor de schade in verband met de privacy schending. Uiteindelijk schaart de kantonrechter dit bedrag in zijn beslissing wel onder het bedrag dat werkgever aan werknemer moet betalen als billijke vergoeding.

Het is tijd voor tips: zorgvuldigheid.

Mijn tip aan werkgevers ligt uiteraard voor de hand: wees uiterst voorzichtig met het bekijken van e-mails van werknemers. Zorg ervoor dat dit onderzoek wordt aangekondigd, zorg ervoor dat er een extern bureau zorgdraagt voor het onderzoek en, tenslotte, wees concreet over de reden waarom onderzoek wordt gedaan.

Dergelijke zorgvuldigheid zal kunnen voorkomen dat je als werkgever bij een procedure tot je schrik geconfronteerd wordt met een veroordeling van tienduizenden euro’s, terwijl je ook op een andere manier had kunnen zorgdragen voor de beëindiging van de arbeidsrelatie.

Voor werknemers geldt: accepteer niet zonder meer dat een werkgever een kijkje neemt in je inbox. Dit valt onder je recht op privacy. Als je ermee wordt geconfronteerd, eis dan tenminste dat een extern persoon hiervoor wordt ingeschakeld.

Mocht je vragen hebben over dit onderwerp of over andere arbeidsrechtelijke issues, bel mij of WhatsApp mij gerust.

Hartelijke groet, Dennis Wouda

Advocaat van Kaliber

Mobiel: 06-41295253